Beelden van een andere werkelijkheid – Altaren in het World Trade Center...

Beelden van een andere werkelijkheid – Altaren in het World Trade Center in historisch perspectief

Passieretabel St. Janskathedraal - Den Bosch (foto Van Vlierden)
Passieretabel St. Janskathedraal, Den Bosch (foto Van Vlierden)

DE NEDERLANDEN
In de Nederlanden werd het verhalende retabel heel populair. Een goed voorbeeld hiervan is het Antwerpse Passieretabel in de St. Janskathedraal te ’s-Hertogenbosch (ca. 1510-1520). [9] De bak heeft de orm an een omgekeerde ‘T’ en kan gesloten worden met zes beschilderde luiken. Talloze grote en kleine gesneden scènes in de retabelbak vormen met de geschilderde voorstellingen één uitgebreid, iconografisch programma. De luiken vormen niet alleen een bescherming voor het kostbaar vergulde beeldhouwwerk, maar door het in verschillende stadia openen ervan wordt het afgebeelde verhaal stapsgewijs zichtbaar, aangepast aan het belang van de betreffende misviering. Een retabel werd meestal alleen op kerkelijke hoogtijdagen helemaal geopend. In gesloten toestand zijn in ’s-Hertogenbosch op de buitenzijde van de luiken drie scènes uit het openbare leven van Christus weergegeven: de Bruiloft te Kana, de Opwekking van Lazarus en de Verzoeking van Christus in de woestijn. Gaat het retabel open, dan worden de Passietaferelen zichtbaar. Op het linkerluik links de Intocht in Jeruzalem met aansluitend op het bovenste luik Christus’ gebed in de Hof an Olij en en rechts zijn Ge angenneming. Het erhaal gaat erder met de Kruisdraging in de retabelbak en de Kruisiging in het verhoogde middendeel. Op het bovenluik rechts volgt dan de Kruisafneming, in de retabelbak rechts de Bewening, op het rechterluik aan de linkerkant de Opstanding en rechts de Hemelvaart van Christus.

Bewening met als kleine nevenscène het Heilig Oliesel
Bewening met als kleine nevenscène het Heilig Oliesel, Passieretabel Den Bosch, Antwerpen, begin zestiende eeuw (foto Van Vlierden)

Het passieverhaal wordt aangevuld door kleine beeldengroepjes onder baldakijntjes in de hollijsten langs de drie compartimenten. Aan weerszijden van de Kruisdraging zijn de Geseling en de Doornenkroning afgebeeld en links naast de Bewening de Nederdaling ter Helle. Rond de Kruisiging en rechts van de Bewening vinden we kleine groepjes met afbeeldingen van de zeven sacramenten: de doop, het vormsel, de biecht, de eucharistie, het priesterschap, het huwelijk en het heilig oliesel dat aan de stervenden wordt toegediend. De zeven sacramenten werden door Christus zelf ingesteld. Ze kunnen worden beschouwd als tekenen van bijzondere genade en als ‘tekens an de blij ende werking an het kruisoffer’. [10] Zes kleine gesneden voorstellingen uit Christus’ jeugd: te weten de Annunciatie, Visitatie, Geboorte, Aanbidding der koningen, de Vlucht naar Egypte en de Heilige Familie, zijn in eigen compartimenten onder de hoofdvoorstellingen geplaatst. De originele predella onder de retabelbak is niet bewaard, maar is vervangen door een niet gepolychromeerde met spitsbogen. Door deze verhoging onder het retabel kon men dit openen en sluiten zonder het altaar te hoeven ontruimen. Er zijn overigens niet alleen gebeeldhouwde houten retabels, maar ze kunnen ook bestaan uit schilderijen, steensculptuur of soms zelfs vervangen worden door muurschilderingen. Zo zijn op de pijlers van de kathedraal in St. Albans muurschilderingen van de Kruisiging en scènes uit het leven van Maria aangebracht boven de nu verdwenen altaren. [11]

Geschilderd 'retabel' met Kruisiging en Tronende Maria met Kind,
Geschilderd ‘retabel’ met Kruisiging en Tronende Maria met Kind, Kathedraal van St. Albans, Groot-Brittannië, ca. 1200 (foto Van Vlierden)

DUIZENDEN MULTIDISCIPLINAIRE PROJECTEN
In de Nederlanden zijn in de periode 1380-1530 duizenden retabels gemaakt. In de loop van de Middeleeuwen nam het aantal altaren in de kerk namelijk sterk toe. Deze toename had verscheidene oorzaken. In 1310 werd op een bisschoppenvergadering in Trier besloten dat aan elk altaar duidelijk te zien moest zijn aan welke heilige(n) het gewijd was. Daarom werden heiligenbeelden of een retabel met afbeeldingen uit het leven van Christus of de heilige(n) op het altaar geplaatst. Bovendien moest elke heilige van wie een kerk een belangrijke reliek had verworven bij voorkeur een eigen altaar krijgen. Hierdoor nam het aantal altaren sterk toe. Maar ook doordat de priesters dagelijks een mis op gingen dragen en omdat zich de traditie ontwikkelde dat leken geld gaven aan de kerk om bij een bepaald altaar missen te laten lezen voor het zielenheil van overleden verwanten. Opdrachten tot het stichten van nieuwe altaren en het maken van kostbare altaarstukken werden gegeven door hoge geestelijken, de adel en de gegoede burgerij. Ook verenigingen zoals gilden en broederschappen stichtten eigen altaren, die gewijd waren aan hun schutspatroon.

In de Zuidelijke Nederlanden werden de gesneden altaarretabels vanaf de vijftiende eeuw vooral verhandeld in Antwerpen, vanaf 1460 in het Onze-Lieve-Vrouwepand. Hier en tijdens de grote jaarmarkten in Brugge en Bergen op Zoom, konden de vele binnen- en buitenlandse geïnteresseerden afspraken maken met de kunstenaars en eventueel hun keuze maken uit de uitgestalde kunstvoorwerpen. De meeste retabels werden echter niet voor de vrije markt gemaakt maar in opdracht. [12] De vervaardiging van een retabel vereiste de samenwerking an de beeldsnijder met de stoffeerder of ‘beeld er er’ die de sculpturen beschilderde en de schilder die de voorstellingen op de luiken aanbracht. [13] De retabelbak en de luiken werden geleverd door de schrijnwerker en de architectonische decoratie door een metselriesnijder. Hoewel in alle grote steden beeldsnijders werkten en retabels werden vervaardigd, kenden Antwerpen, Brussel en Mechelen waarschijnlijk de grootste productie en het zijn de enige steden waar beeldhouwwerken werden gemerkt. De introductie van de keurmerken hangt onder meer samen met de verkoop van retabels op de vrije markt en was tevens een methode voor onderlinge controle.

Uitgeholde achterzijde van een notenhouten Anna-te-drieëngroep - Oostenrijk 16de eeuw
Uitgeholde achterzijde van een notenhouten Anna-te-drieëngroep, Oostenrijk, 16de eeuw, particuliere collectie (foto Van Vlierden)

In onze streken werden de altaarretabels meestal uit eikenhout vervaardigd. De beste kwaliteit eikenhout werd ingevoerd uit het Baltische gebied, waar het langzaam en regelmatig was gegroeid. Het werd in dikke planken aangevoerd die zodanig uit de stam zijn gehaald, dat het hout op de kopse kant staande jaarringen vertoont. Hierdoor is het hout sterk en stabiel. Heel wat Zuid-Nederlandse sculpturen zijn uit dit zogenaamde ‘wagenschot’ er aardigd. Uit wagenschot konden geen grote beelden worden gesneden. Hiervoor werd vaak onregelmatig gegroeid inlands eikenhout gebruikt. Om het beeld goed aan alle zijden te kunnen bewerken en beschilderen, kon het vastgezet worden in een werkbank. Hiervan zijn vaak sporen te vinden aan de onder- en bovenzijde van de sculpturen. Om splijten te voorkomen werden de beelden aan de achterzijde uitgehold, waarbij het hardere kernhout meestal werd verwijderd. Aangezien de meeste sculpturen bedoeld waren om tegen de achterwand van een retabelkast of nis te staan, was het meestal niet nodig om de uitholling te dichten. Ook was het niet noodzakelijk om de sculpturen ‘en ronde bosse’, dat wil zeggen aan alle zijden, uit te werken en te polychromeren. Veel middeleeuwse sculpturen zijn dan ook aan de achterzijde vlak gelaten.

NO COMMENTS

Why not leave a comment, if you can hardly resist the urge to do so?